Leven in Frankrijk


PARIJZENAARS
juni 2, 2012, 9:36 am
Filed under: Uncategorized

Parijzenaars

Aan het weggetje waar ik woon staat een klein huisje.  Vroeger werd het door een boer gebruikt als opslagplaats, maar in de jaren zeventig werd het opgeknapt en later verkocht aan twee jonge Parijzenaars.  Het werden mijn buren.  Aardige mensen met wie ik graag zomers een apero dronk.  André was computerdeskundige en werkte bij IBM, terwijl zijn vrouw Danielle halve dagen werkte als tandartsassistente en in haar vrije tijd graag schilderde.  Het echtpaar had een dochter in de puberteit met paarse haren, een leuk uitziend kind, dat helaas op het punt stond ernstig te ontsporen.  Ze gebruikte heroine en als Danielle over haar sprak liepen de tranan over haar wangen.

Een Parijse familie met hedendaagse problemen die graag in de zomermaanden in de Berry verbleven, waar Danielle oorspronkelijk vandaan kwam.  Ze waren vergroeid met het dorp en dronken op zondagochtend net als de anderen hun kir bij Martine.  Na een half uurtje liepen ze terug naar huis, zette een klein tafeltje op het weggetje en genoten van een lage lunch.  Rgelmatig nodigden ze buren uit op de borrel, die gewoonlijk de hele avond in beslag nam.  André die een wijnkenner was opende de vele flessen, hij schonk altijd royaal  en Danielle liep af en aan met de meest uiteenlopende hapjes.  Gezellige avonden bij een doorsnee Frans gezin.

Tot er iets vreemds gebeurde.  Van de ene op de andere dag kwam Danielle bij me langs om te vertellen dat hun dorpshuisje te koop stond.  Ze wilden weleens wat anders en vertrokken uit het dorp.  Later die dag hoorde ik bij Martine een verhaal, dat een en ander verklaarde.  Danielle was eerder die week na een dorpsfeest meegegaan met een buurman, teveel gedronken en was bij hem blijven slapen.  André was zo boos geworden dat hij zijn rivaal een dreun had gegeven.  Een smeuiig verhaal, dat vond iedereen, maar wellicht toch wat overdreven om direct je huis te verkopen.

Het werd nog vreemder, want op een dag in dezelfde zomer pakte het Parijse echtpaar hun spullen in en vertrokken met stille trom.  “Als dieven in de nacht”, zei Martine die zich teleurgestelde voelde in mensen die ze al twintig jaar kende.  Waarom waren ze geen afscheid komen nemen?  Wat was er in hemelsnaam aan de hand?  Er werd in de bartabac een paar dagen over gepraat tot het in de vergetelheid raakte, want er waren weer nieuwe opvallende dingen te bespreken.

Slechts vier maanden later diende de oplossing van het mysterie rond André en Danielle zich aan.  En dat via internet.  Een Parijse transseksueel had een website opgezet met foto’s van zichzelf en een open brief aan zijn dochter, waarin hij haar uitlegde waarom hij besloten had tot een sekseverandering met de bijbehorende operaties.  André was Andrea geworden.  En het dorp stond op zijn kop.  Vooral de mannen waren diep geschokt.  “Ik heb nog met André gevist”, zei Bernard die somber achter een biertje zat.  “Ik begrijp het niet!  Mannen zijn mannen.  En vrouwen zijn vrouwen.”  Hij nam nog een slok en zei niets meer.  De nieuwe wereld was plotseling binnengedrongen.  Transseksuelen waren iets van de televisie.  Iets uit de rare buitenwereld die de stad heette.  En nu kon de gemeenschap niet anders dan concluderen dat zijzelf iemand kenden die notabene van geslacht veranderde.  Zoals altijd nam Martine ferm de touwtjes in handen en sprak het finale woord.  “Ze gingen veel te veel naar Thailand op vakantie.  Dan krijg je dat.”  Ze liep terug naar de bar en haalde een nieuw blad met bier.

Advertenties


Rel in de supermarkt
mei 28, 2012, 9:32 am
Filed under: Uncategorized

Rel in de supermarkt

In een straal van vijftien kilometer rond het dorp zijn er drie grote supermarkten gevestigd.  Meestal doe ik mijn boodschappen tegen twaalven, want dan is het rustig en bij de kassa’s kun je zo doorlopen.  Soms is de speciale  kassa, waar je voor kleine boodschappen terecht kunt gesloten en dan vormt er zich een spontane rij van klanten met mandjes.  Als bij afspraak zal er nooit iemand met een kar aansluiten.

Fransen die hier boodschappen doen praten vaak in zichzelf.  Bij de tomaten nemen ze hardop het recept door wat ze van plan zijn te maken of ze mopperen bij de boter waar nu ook alweer dat special braadvet gebleven is.  Ook is het een probaat middle om aanspraak te krijgen.  Ga naast iemand staan die in zichzelf praat en vroeg of laat  zullen ze je in de alleenspraak betrekken.  “Kunt u ook nooit die boter vinden?”

Op het platteland heeft nooit iemand haast en met de cassiére worden praatjes gemaakt en naar de kinderen geinformeerd.  Lawaai is er nooit.  Men schuift langs de koffie en blikken en er vormen zich kleine groepjes buren of kennissen.   Wie in de rij voor de kassa – nooit meer dan drie karretjes – een buurvrouw ontwaart komt die tussendoor begroeten met twee of vier zoenen.  Drie keer zoenen is hier ongebruikelijk.

Slechts een keer werd deze gemoedelijke sfeer doorbroken door een onverwachte valse noot.  Ik stond bij de kassa te wachten tot ik aan de beurt was.  Er stonden drie mensen voor me en een vrouw die zojuist had afgerekend stond haar boodschappen in te pakken.  Plotseling begon de klant voor haar hard te schreeuwen.  Hij gaf de vrouw een duw en begon steeds harder te schreeuwen.  Daarna haalde hij uit om haar een klap te geven.

Ik verstijfde, want er begon hier iets duidelijk uit de hand te lopen en stond klaar om op tijd weg te komen als ere en vechtpartij uitbrak.  Met stadse ervaring wist ik dat zulke rellen fiks konden oplopen en ik was onmiddellijk op mijn hoede.  Met alertheid volgde ik de nog steeds schreeuwende en dreigende man, die de vrouw opnieuw een duw gaf en uithaalde alsof hij ging slaan.

Gek genoeg was ik de enige in de supermarket die zich ongemakkelijk voelde.  De vrouw ging onverstoorbaar door met haar boodschappen inpakken en ook de cassiere verblikte of verbloosde niet.  Niemand schonk enige aandacht aan het gebeuren.  “Blij  dat ik niet met hem getrouwd  ben,” merkte de vrouw achter mij lakoniek op.  “Ik woon hier al zestig jaar, maar zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.”  Ze haalde haar schouders op en legde haar boodschappen op de lopende band.

Na een paar minuten droop de man af en er werd geen woord aan het incident vuilgemaakt.  Geen zucht van verlichting, geen gesprek dat op gang kwam.  Iedereen ging zijn gewone gang en verbijsterd reed ik even later naar huis.  Waren die mensen hier dan niet bang te krijgen?  Zelf associeerde ik als stadsmens onverklaarbaar geschreeuw onmiddellijk met geweld.  En dat was precies het verschil tussen mij en de andere mensen in de supermarkt, realiseerde ik me een paar dagen later.  Voor hen was het eenvoudig een gek.  Niet op letten.  Potentieel gevaar kwam in hen eenvoudig niet op.  Met het gevolg dat de man door gebrek aan aandacht  wegliep.

In de stad had  iedereen zich ermee bemoeid, het management  was erbij geroepen om de vrouw te ontzetten en er zou enige paniek zijn uitgebroken, waardoor de situatie geescaleerd was.  Het geeft te denken.  Op gekken moet je gewoon niet letten.   Het is de onschuld van het platteland.  Niemand denkt aan verborgen messen of pistolen.  Mensen die zich niet gedragen moet je negeren.  En daarna pak je schouderophalend je boodschappen in.



Het derde jaar
mei 24, 2012, 12:27 pm
Filed under: Uncategorized

Pas in de derde lente merkte ik het.  Het leek wel of na de winter de kaarten opnieuw geschud werden, want plotseling hoorde ik er helemaal bij.  De vriendelijke beleefdheid van mijn Franse buren veranderde in jovialiteit en in de bartabac werd ik begroet als een oude bekende.  Het ijs was gebroken alsof het unanieme besluit was gevallen dat ik te vertrouwen was en het dorp geen streken leverde.

Kwam het door de tulpenbollen  die ik in oktober de verschillende buren cadeau had gedaan?  Het straatje stond er inmiddels vol mee en in ruil daarvoor, Fransen wisselen graag cadeautjes uit, kreeg ik witte wijn, zakken appels en plantenstekjes. Had het iets te maken met mijn buurman Henri  met wie ik regelmatig bij Martine wat ging drinken?  Vond men het aardig dat ik een tentoonstelling wilde organiseren met foto’s van de oude families? Helemaal niet.  Ik werd geaccepteerd, omdat ik een zekere rol in het dorp speelde en daarmee niemand in de weg zat.  “Vergeet niet dat je zelf ook invloed op het dorp hebt,” zei Henri die een scherpe neus had voor wat mij bezighield.  “Je bent hier inmiddels zelf geworteld en maakt dus verschil.  Het is een kleine gemeenschap.”   Als ik het dorp inliep kwam ik bijna altijd iemand tegen.  Het korte praatje over het weer was een dagelijks ritueel en ook ik rekende op Martine als het ging om informatie te delen of te vergaren.  Van wie was de weggelopen poes die in mijn tuin om eten bedelde?  Was de elektriciteit alleen bij mij uitgevallen?  Zou de bakker ondanks de sneeuw toch gewoon komen?

Martine wist alles van iedereen.  Ze was de invloedrijkste vrouw van het dorp en voelde dat als een serieuze verantwoordelijkheid.  Haar donkere ogen registreerden elk detail en ze wist onmiddellijk als er iets afweek van het gewone.  Haar bron van kennis bestond uit een lange ervaring van het bestuderen van het dagelijks leven.  Officieel was ze de bazin van de bartabac, maar in werkelijkheid bestuurde ze het sociale leven.  Al vijfendertig jaar lang schiep ze een moreel kader, waarin de rest van het dorp zich schikte.  Wie Martine tegen zich kreeg kon maar het beste verhuizen.  Dat had ik onmiddellijk begrepen, maar later begon ik in te zien dat haar rol veel ingrijpender was.  De eigenaar van een bartabac  is de gespreksleider van een gemeenschap en biedt structuur aan de dagelijkse omgang.  Martine was zeker geschikt  voor die functie, want ze zei altijd precies waar het op stond, maar koos nooit partij.  Als de dorpspijlen teveel op een bepaalde persoon gericht werden kwam ze daarvoor op en ik meende dat ze als haar taak zag de vrede in het dorp te bewaren.  Dronken mannen werden zonder pardon naar huis gestuurd en uit de hand lopende roddels in de kiem gesmoord.  Martine leek intuïtief te weten wat goed voor het dorp was en twijfelde nooit aan haar eigen oordeel.  “Zo ben ik nou eenmaal”.  De moeder van het dorp zoals ze genoemd werd wist altijd waar ze stond en vertrouwde op haar eigen instincten.   Het was de reden dat sommige mensen met een angstig soort ontzag over haar spraken.  Vooral bij Parijzenaars leek de schrik er goed in te zitten.  “Als Martine iets niet wil gebeurt het ook niet.  Of het nu om je land gaat of de koop van een huis.  Haar invloed gaat onbeschrijflijk ver,” zei Andre die zomers een huisje zonder terrein bewoonde.  “Als je haar tegen je hebt kun je wel inpakken.  En als Martine eenmaal tegen iemand is komt het nooit meer goed”.  Dat laatste geloofde ik wel.  Zoals alle mensen die sterk op hun intuïtie vertrouwen kwam ze niet terug op een teleurstelling of het gevoel dat iemand de boel belazerde.  Recht door zee, niet achterom kijken en meteen een beslissing nemen.  Dat was de riskante kant van Martine, die sommigen angstaanjagend vonden, omdat ze met een enkele streep de rekening kon opmaken.  Zelf geloofde ik graag dat het gezag van de kroegbazin gebaseerd was op de goede ervaringen die het dorp met haar had opgedaan.  Het ging Martine niet om de macht, dat wist ik zeker, want in dat geval zou ze allang gestruikeld zijn over de Franse afkeer van autoriteiten.   Ze overschatte zich niet en had een afschuw van indiscretie en bemoeierigheid.  Zonder in het minst intellectueel te zijn was Martine de personificatie een verstandige vrouw die nooit haar eigen grenzen overschreed.

Zoals altijd vergat ik in mijn observatie de invloed van familieachtergronden mee te rekenen.  Henri lachte me uit toen ik hem mijn opmerkingen voorlegde.  “Je zit er helemaal naast,” riep hij uit.  “Natuurlijk doet Martine het heel goed, maar de invloed die ze heeft komt in de eerste plaats voort uit het huwelijk dat ze heeft gesloten.  Zowel zij als haar man Jean komen uit belangrijke families.  De moeder van Jean was ambitieus en wel degelijk uit op macht.  Haar zonen moesten dus goede huwelijken sluiten.  Martine was alleen acceptabel, omdat ook haar familie diepe wortels in de streek heeft,   Zelf had ze een voorkeur voor de broer van Jean, maar dat werd niks.  Haar schoonmoeder was niet echt blij, ze vond Martine te gewoontjes, maar de verbinding tussen de twee families gaf de doorslag.  Daar draait het allemaal om.  Hou maar op met dit dorp te proberen te begrijpen, want dat lukt je toch niet.”

Henri had natuurlijk gelijk.  Ik was geneigd mijn omgeving psychologisch te duiden en vergat altijd de pragmatische werkelijkheid van de plattelandscultuur.  Natuurlijk ging het om belangen, al waren ze mij niet altijd even helder, omdat ik mij eenvoudig niet kon voorstellen dat iemand ambitie vertaalde in verbintenissen tussen families of het bezit van braakliggende stukjes grond.  Wie kon het wat schelen?  Waarom sprak iedereen toch altijd over clans?  Dat waren toch rare negentiende eeuwse ideeën die op een benauwde geest wezen?  Als een typische westerse emigrant had ik de plek van mijn keuze als exotisch beschouwd, weliswaar goed om mij heen gekeken, maar de ondergrondse waarheid over het hoofd gezien.  Het was veel ingewikkelder dan ik had gedacht.  Henri  schoot opnieuw in de lach.  ‘Hou toch eens op!  Het is helemaal niet ingewikkeld.  Jij begrijpt er alleen niks van en dat zul je de eerste jaren ook niet doen.  Als je wilt schrijven over ons dorp moet je gewoon eerlijk en zonder opsmuk vertellen wat je meemaakt.  Maar probeer niet iets te duiden, waar je geen verstand van hebt, want dan wordt het allemaal onzin.”

Die zat.  Het bracht me wel in de problemen, want ik had het dorp in kaart willen brengen, op een waarachtige manier beschrijven, maar het drong tot me door dat het dorp draaide om de families.  De wirwar van voorouders, huwelijken, vooroorlogse vetes en al dan niet gemeenschappelijke belangen.  Bijna iedereen in het dorp kwam hier oorspronkelijk vandaan of had een huis geërfd van een familielid met diepe wortels in de streek.  Elke familie had een geschiedenis.  Iedereen had wel een geheim.  Overal waren tegenstrijdige verhalen, duistere achtergronden en compromissen.  Versaille in microformaat.  Boerendochters als koningskinderen.  Stukjes land als voorouderlijk bezit.  Hoe meer ik integreerde, hoe beter ik begreep dat ik het nooit zou begrijpen.  Daar ging het dus om voor de autochtonen. Samen opgegroeid, bekend met elkaars familiegeschiedenissen, vertrouwd tot op het bot en altijd terugkerend naar hun eigen dorp, al was het maar tijdens de zomermaanden.  Het moest verslavend zijn.  Ik had inmiddels de oude schoolfoto’s gezien.  Mijn bejaarde buurvrouwen op de lagere school.  Henri  als voetballertje.  Marcel als jonge soldaat.  Martine met strikken in het haar.  Claude op een kinderfietsje.  Vergeelde documenten, grijze plaatjes van de mij welbekende straten en tuinen.  Opnieuw ging ik naar het kerkhof.

Inmiddels kon ik de meeste graven wel duiden.  Bovenop de heuvel lag een parkje met bomen waar grijze stenen, vaak met verse bloemen erop, werden afgewisseld met bouwsels, soms kleine kerkjes, waarin hele families, vaak uitgestorven, waren ondergebracht.  Zoals gebruikelijk bezocht ik het graf van het elfjarige jongetje dat vlak na de oorlog tijdens het luiden de kerkklok tegen zijn hoofd had gekregen.  Volgens de inscriptie was hij in een klap dood dood geweest.  Een vergeten ongeluk, want ook zijn familie was inmiddels uitgestorven.  Ik wandelde langs het vergeten graf van Christine, de vrouw van Henri, waar nooit iemand kwam, omdat ze nog zo jong was geweest en de aanblik ervan te pijnlijk was voor de familie.  Verderop zag ik Jean-Louis de planten verzorgen van de familiegraven, het waren er twee, en hij leidde me rond.  “Hier kom ik straks te liggen,” zei hij en wees op een glanzende steen.  “De laatste van de familie.”  Hij leek er niet tegenop te zien en veegde met zijn hand bijna liefkozend een paar bladeren van het graf.  “Ik kom elke week om de boel schoon te houden en af en toe de planten verversen.”  Hij liep verder met zijn gieter en ik ging terug naar mijn dorpshuis.

Wat trok mij in zo’n gemeenschap?  Gaf het me een gevoel van veiligheid?  Was ik besmet met het virus van de jaren vijftig nostalgie?  Je hoefde niet helemaal uit Holland te komen om je zulke vragen te stellen.  Mijn vriend Bernard kwam uit Reims, de grote stad, en had zich tien jaar geleden definitief gevestigd in het belendende dorpje D., behorend tot dezelfde commune als het kunstenaarsdorp, waar ik zelf woonde,  maar zonder aantrekkingskracht voor toeristen.  “Ik kwam hier stomtoevallig terecht op mijn twintigste.  Thuis voelde ik me ongelukkig en ik begon rond te zwerven.  Ik had een paar jaar de kunstacademie gedaan, maar ook dat vond ik niks.  Veel te veel regels.  Dat gezwerf heb ik jaren volgehouden.  Met klussen hield ik mezelf in leven en ik schilderde.  Tot ik hier in het dorp kwam.  Ik ontmoette Annette.  Na vier dagen begon de belangrijkste vriendschap van mijn leven.  Annette woonde alleen, we was lesbisch, had geen vriendin en gaf me de benedenverdieping om te exposeren.   Ze zat op mijn nek.  Dat ik moest schilderen, ophouden met zwerven.  Werken, exposeren.  Ik heb nog nooit met iemand zoveel gepraat.  Ze hielp me, gaf me richting en uiteindelijk ben ik hier gebleven.  Hier zijn de mooiste kleuren van de wereld, ik krijg nooit  genoeg van deze natuur, dus ik blijf. Maar het blijft een raadsel waarom ik juist hier rust heb gevonden.”

Bernard woont in een oude boerderij, die hij voor een krats van een vriend kon kopen en exposeert  jaarlijks in het dorp.  Annette stierf tien jaar geleden, maar Bernard is niet weg te denken uit het dorp.  Hij is tegen de zestig, maar klautert in bomen met het gemak van een kind en lost elk praktisch probleem in een handomdraai op.  Lekkende daken, omgevallen bomen, problemen met de elektriciteit of een muur die gemetseld moet worden:  Bernard kan alles en doet alles.  Het enige waar hij niets van begrijpt zijn computers, ik geloof dat hij ze rechts vind, want als anarchist is hij tegen alles wat aan bourgeois doet denken.  Het kasteel in het dorp zou hij het liefste opblazen en kranten leest hij niet, want alle journalisten liegen.  Bernard houdt van eenvoud en slaapt regelmatig in zijn eentje bij de rivier.  Zijn droom is er nog eens een hutje te bouwen en te leven van de visvangst.

Wel leest hij veel boeken  In zijn tuin kweekt hij groente, fruitbomen en cannabis.  Af en toe kookt hij pasta, wat hij mengt met tabasco en boter.  Als hij geld nodig heeft klust hij om sigaretten en drank te kopen.  Zijn schilderijen verkopen slecht, want ze zijn fors geprijsd, omdat hij ze het liefste helemaal niet zou verkopen.  Als hij depressief is zegt hij dat hij dood wil en sluit zich op in zijn wild beschilderde huis, waar de tuin vol gebouwd is met oude televisies voor de klimplanten en verzamelingen oude gieters en postbusjes.

In de stad zou hij naadloos passen in het beeld van de artistieke excentriekeling die in de jaren zestig is blijven hangen.  Een loser die aardige schilderijen maakt, maar helaas geen ruggengraat bezit en een treurig gebrek aan ambitie vertoont.  Je hebt van die zielenpoten. In een dorp bestaan slechts individuen, geen groepen die je kunt etiketteren, en Bernard wordt gerespecteerd om zijn onmiskenbare talent als kunstenaar en zijn hulpvaardigheid als het gaat om huiselijke rampen.  Hoe hij zijn huis en tuin in wil richten moet hij zelf weten.

Het lastigste om te doorgronden is de paradox waar het gaat om privacy.  Het recht om vooral te doen waar je zelf zin in hebt staat als een paal boven water, burgerlijke vooroordelen ben ik nog niet tegengekomen, maar je gedragingen zijn een open boek voor het hele dorp en het zou een beetje raar zijn om alles te willen delen of complete openbaarheid na te streven. Toen ik na drie jaar mezelf geïntegreerd kon noemen stuitte ik op dit voor mij onbekende verschijnsel.   Het halve dorp kende de binnenkant van mijn huis. Iedereen wist dat ik teveel rookte en graag dronk. Soms teveel. Men kende mijn stemmingen en eigenaardigheden. Ik hield van dieren.  Soms trok ik me graag terug.  Het was bekend dat ik net als de anderen tussen de middag warm at en graag brocantes bezocht, waar ik boeken en oude affiches kocht.  Ze werden ingelijst door mijn buurvrouw Catherine.  Ik zwom net als de anderen in de rivier op stille plakken en had belangstelling voor de geschiedenis van het dorp.  Huishouden deed ik niet graag, want ik had een hulp .  Werken deed ik ’s ochtends en mijn maatschappelijke achtergrond was gemakkelijk via Google terug te vinden met behulp van de vertaalservice.  Ooit had ik een boek Het sexcomplex geschreven.  Desondanks was ik niet op zoek naar een man en leefde met mijn katten, waar ik dol op was.  Ik hield niet speciaal van wandelen, paar wel van lezen.  Van de bak met flessen maakte ik gemiddeld gebruik, want ik kocht wijn vaak in grote kartonnen.  Ik hield van bizarre grappen.  Mijn seksleven was niet uitbundig.  ’s Avonds luisterde ik graag naar muziek, de Franse zanger Yves Jamait was lang mijn favoriet en ik zat urenlang achter de computer.  Langzamerhand begon ik me voor de tuin te interesseren en had een romantische voorkeur voor rozen.  In het dorp had ik het meeste contact met linkse mensen en ik kocht graag het werk van kunstenaars uit de streek.  Iedereen had dezelfde huisarts, die weliswaar uitstekende diagnoses gaf, maar niet erg discreet was.  Hij wilde nog weleens uit de school klappen over de fysieke toestand van zijn patiënten die elkaar natuurlijk allemaal kenden.Bovendien hadden we allemaal dezelfde apotheek. Mijn zoon kwam verschillende keren per jaar logeren en zijn Franse vriend kwam regelmatig mee.   Zomers kwamen er schrijvende Nederlandse vrienden op bezoek, die regelmatig herkend werden op het terras van het locale hotel, waar veel Belgen in de vakantie logeerden.   Ik kende in Nederland blijkbaar beroemde mensen.  Verder kwam er nooit familie langs en ik sprak er ook nooit over.

 

Op zichzelf waren deze gegevens helemaal niet belastend, maar ik leefde voor het eerst tussen een groep mensen die allemaal van deze feiten op de hoogte waren.  En bij elkaar genomen leverden ze een tamelijk compleet beeld op.  Hoezo privacy?

Ik was gewend dat de mensen in mijn omgeving over gefragmenteerde kennis beschikten, waar het ging om mijn privéleven. Je buren weten hooguit of je vaak thuis bent en je bepaalt zelf wie je al dan niet inlicht over je liefdesleven.  Met sommige vrienden praat je graag over boeken en met anderen over politiek.  Hoe je je huishouden inricht weet praktisch niemand.  Kattenliefhebbers wisselen graag analyses uit over hun respectievelijke huisdieren en je andere vrienden laat je daarover met rust.  Niemand kon onaangekondigd mijn huis binnenlopen of enig idee hebben van de medicijnen die ik al dan niet slikte.  Weliswaar voerde ik vertrouwelijke gesprekken met de meest uiteenlopende mensen, maar je kon zelf beslissen hoever je ging in het geven van informatie.  Of ik al dan niet vroeg naar bed ging of hoe ik mijn dag precies indeelde kwam zelden of nooit ter sprake.  Mijn vrienden zag ik vaak in restaurants en we spraken alleen over de hoogtepunten van ons dagelijks leven.  Of het nu narigheid of successen betrof: je wisselt ervaringen uit en belt op als er iets bijzonders te vertellen valt, waar je acuut andermans visie op wilt hebben.  Als je ruzie met je partner hebt over onbenulligheden komt niemand dat te weten, behalve misschien je buren, maar die ken je nauwelijks, dus er valt nooit iets uit te leggen.

In de stad bestaat geen sociale controle en mijn Haagse vrienden woonden verspreid over de stad.   In het centrum waar ik een huis had gekocht waren op loopafstand supermarkten,  goede boekhandels, bioscopen en theaters.    Stad versus dorp.  Het vanzelfsprekende recht op privacy versus de plicht tot openheid.  De supermarkt ligt op rwaalf kilometer afstand en mijn boeken koop ik via internet.  Het leven in een Frans dorp is intiemer, omdat je weinig kunt verbergen.  De stilte is oorverdovend.    Seizoenen wisselen elkaar af en je past je leven erop aan.  Het is de natuur die je dagelijkse ritme bepaalt

 

 



Aanslag
mei 1, 2009, 12:58 pm
Filed under: Uncategorized

« Heb je het laatste nieuws al meegekregen? » vroeg mijn zoon gisteren aan de telefoon. Ik nam aan dat het over de Mexicaanse griep ging. Het was anders en ik dook het internet op. Als journalist gewend om het laatste nieuws op details te screenen besteedde ik meerdere uren aan krantenartikelen en tv-programma’s. Er was dus een aanslag op het koningshuis gepleegd. Niet door islamisten of andere terroristen, maar door een « eenling », waar zoals alle deskundigen bevestigen niets tegen te doen is. Wie in zijn eentje besluit zijn familie te vermoorden, een bom in de bus te leggen of de koninklijk familie dood te rijden op Koninginnedag; je doet er niks aan. Een gek heeft alle macht. Zoals Volkert vd G toesloeg, de professor parttime werkzaam aan de VU die zijn gezin uitmoordde en elke maffeling die een buschauffeur neersteekt. Een samenleving die een toenemend aantal gestoorde eenlingen herbergt is kwetsbaar geworden. Zo bleek opnieuw.

Het gekke was dat ik het nieuws niet als journalist bekeek. Plotseling werd ik weer Hollander. De toespraak van de koningin ontroerde me en ik voelde me betrokken bij de angst tijdens dit bizarre incident. Vooral de stilte, in elk nieuwsitem werd gewag daarvan gemaakt, na de fatale botsing tegen De Naald in Apeldoorn vond ik begrijpelijk en angstaanjagend. Het was teveel geweest. Zelfs de paniek werd emotioneel uitgesteld.

Was de koningin er eigenlijk bij? Als emigrant volg ik dat niet, maar opvallend vond ik de nadruk op de geschrokken reactie van Maxima – sloeg handen voor haar gezicht- en de kroonprins die opstond. Wel honderd maal heb ik het inmiddels gezien. Als Beatrix in de bus zat – mijn onwetendheid is groot tegenwoordig – waarom mogen we niet weten hoe ze reageerde.

Eerlijk is eerlijk. Ik was oprecht ontroerd door haar toespraak op de televisie. Of was- dacht ik later cynisch – haar ontroering ingegeven door haar Koninklijke verbijstering. Ze maakte ook eens wat mee. En hoe. Ik voel me ineens helemaal Nederlander. Het koningshuis aangevallen? Ik ben niet eens koningsgezind, alhoewel ook geen overtuigde republikein, maar even voelde ik me vervreemd van mijn Franse omgeving. Mijn dorpsgenoten weten van niks. Als ik het ze uitleg zijn ze verbaasd. Heet Nederland dan een koningshuis? Vervreemd trek ik me terug achter de computer. Om het nieuws te volgen uit eigen land. Vreemd en waar. Alsof je emoties intenser worden naarmate je verder weg woont.



NIEUWS
april 27, 2009, 10:24 am
Filed under: Uncategorized
Tijdens de lunch kijk ik meestal naar debatprogramma’s op Uitzending Gemist. Een handige manier om in het buitenland op de hoogte te blijven van het Nederlandse nieuws. En wat voor nieuws. Zoals het ooit gebruikelijk was politieke thema’s te behandelen in een behapbare context met uiteenlopende deskundigen is het tegenwoordig gebruikelijk elke vorm van nieuws in een hype te veranderen en met wisselende doch vaste gasten op te blazen tot een flinke sensatie.

Of het nu gaat om pesterijen in een Utrechtse probleemwijk, de kredietcrisis, de dood van Martin Bril of de mogelijke daling van de huizenprijzen. Het is altijd lachen bij Pauw en Witteman en De wereld draait door. Elk item wordt in crisispapier gewikkeld en de kijker wordt betrokken in een soort landelijke stamtafel, waarin je prettig kunt huiveren en toch op de hoogte blijft van Het Nieuws.

Iedereen verheugt zich al op Fitna deel twee, want dan komt de hele rij opiniemakers en politici weer opdraven in de diverse praatprogramma’s. Is Nederland in crisis? Wat vindt het buitenland ervan? Hoe hoog staat de PVV nu weer in de peilingen? Wilders wrijft zich in zijn vette handjes en hoeft alleen maar glimlachend achterover te leunen. De praatprogramma’s doen het werk.

Waarom wordt alles tot een crisis uitgeroepen? Is het angst of hebben we eenvoudigweg te weinig nieuws in het kleine land en melken we dus elk nieuwsfeitje uit tot de laatste druppel? Naar de uitzending van De wereld draait over Martin bril keken 875.000 mensen. Matthijs van Nieuwkerk haalde samen met wat vriendjes herinneringen op aan de overleden columnist of het om een vermaard internationaal auteur ging. Toen Hermans stierf bleef het een stuk stiller. Net als bij Reve of Carmiggelt. Het is alsof Nederland behoefte heeft gezamenlijk te rouwen. Of het een persoonlijk verdriet betreft. Alles gaat iedereen aan. Of het nu om de dood van een goede en gemiste columnist gaat of ruzie in het kabinet. In Rondom Tien voelen de « ervaringsdeskundigen’ of wat men noemt de gewone mensen zich allang echte deskundigen. Ze geven geen meningen of ervaringen weer, maar voelen zich steeds vaker geroepen analyses te geven en oplossingen te formuleren. Heel Nederland is deskundig en voelt zich dus betrokken bij ieder nieuw feit. Nieuws krijgt steeds vaker sensationele trekken, omdat het van ons allemaal is. Alles is emotie geworden. Particuliere emotie waardoor de behoefte aan crises onverzadigbaar is geworden. De discussieprogramma’s spelen erop in, wat je ze lastig kwalijk kunt nemen en het gaat dan ook eindelijk weer goed met de publieke omroep. Nieuws is populair geworden.

 



Wortelen
april 24, 2009, 3:31 pm
Filed under: Uncategorized

Al dagen lopen twee vrienden door het huis om de badkamer te betegelen en een nieuwe wc te installeren. Ik kom nergens meer toe, behalve koffie zetten of kleuren voor de muren uitzoeken. De renovatie van de badkamer viel tegen. De platen achter het bad bleken vochtig en na het wegslopen keken we tegen de rotsen van de tuin aan. Een krankzinnig gezicht. De wortels van een boom liepen langs de rotsen direct achter de platen. Geen muren. de kamers waren zoals vaak hier direct tegen de rotsen aangebouwd. Alle deuren staan open tegen het stof en het is koud in huis. De warme lente heeft plaats gemaakt voor een koeler voorjaar en de zon is voorlopig verdwenen. Jammer, want steeds meer kreeg ik de smaak van het tuinieren te pakken. De klusjes zijn afwisselend en de struiken begonnen te bloeien. In de zon op je gemak snoeien en planten verpotten is goed voor je humeur. Boven in de tuin heb ik een composthoop gemaakt voor afval, wat in kilo’s uit de borders komt zetten. De zware compost van vorig jaar heb ik rond de rozen gestrooid en ze groeien razendsnel alsof ze zich verheugen op de zomer.

Nieuwe planten wortelen snel in het voorjaar en een vriendelijke buurvrouw voorzag mij van een ruime hoeveelheid stekjes. In het voorjaar komt het dorp weer tot leven; net als de buurtcontacten. Langzamerhand begin ik zelf te wortelen. De omgeving is mij bekend, de wisselende seizoenen roepen geen verbazing meer op en ik heb betere greep op de Franse gewoontes en eigenaardigheden. Maar ergens wortelen, merk ik, heeft in de eerste plaats te maken met mensen. Je werkelijk thuis voelen, op je gemak door de tuin dwalen en gedachteloos het hek uitlopen is alleen mogelijk als de mensen om je heen je een plek hebben gegeven. Het idee hebben geaccepteerd dat je erbij hoort. Je als het ware voorzien van een nieuwe identiteit. Door het verschil in taal en culturele achtergrond is het onmogelijk je eigen persoonlijkheid moeiteloos op de planken te zetten. Daarvoor is de barrière te groot en in het eerste jaar had dit voor mij onbenoembare feit iets beangstigends. Je bent als emigrant als het ware plotseling ontdaan van je sociale instrumenten. Je hebt weinig beschikbaar om jezelf herkenbaar neer te zetten, lijkt het en ik voelde me onthand door het gebrek aan taal. Inmiddels blijkt dat mee te vallen. Mijn vertrouwen in taal is groot en misschien zelfs wel te groot. Karaktereigenschappen worden blind herkend en als ik weleens grapjes over mezelf hoor zijn ze erg herkenbaar. Ook hier sta ik bekend als luidruchtig, geestig, onpraktisch en vriendelijk. Op dat moment kun je beginnen te wortelen. Het is de blik van dorpsgenoten die maakt je je omgeving eigen kunt maken. Emigreren kost tijd. Meer dan ik me ooit had voorgesteld.



TERUGGEKEERD
maart 17, 2009, 11:02 am
Filed under: Uncategorized
Een aardige lezer vroeg zich in een geestige reactie af of ik misschien weggelopen was. Het bleef zo stil op mijn weblog. Inderdaad heb ik het de laatste weken schandelijk laten afweten. Ik heb niets opgeschreven

Zo ongerust was ik over mijn opnieuw ontsnapte kater. Met twee pootjes in het verband en zijn borst vol hechtingen liep hij enigszins kreupel door het huis. Hij had op zijn laatste avontuur diepe vleeswonden opgelopen en moest nu eerst genezen voordat hij gecastreerd kon worden.

Klaaglijk gemiauwd, dag en nacht, piesend in alle hoeken van het huis bracht mijn kater een paar dagen volop leven in de brouwerij tot hij opnieuw ontsnapte en niet meer terugkwam. Na een week werd ik werkelijk ongerust, want hoe kon een verzwakte poes overleven in de jungle van het bosleven. Zoeken en roepen had geen zin. Joey was en bleef verdwenen. Zijn zusje zag er wel voordelen in. ‘s Nachts nestelde ze zich spinnend op het bed en overdag liep ze achter me aan. Ze vond het wel gezellig zo met zijn tweetjes.

In de tweede week kreeg ik bezoek van een Nederlandse buurtgenoot die mij deelgenoot maakte van zijn uitgebreide kennis van het natuurleven. Joey was dood. Daar moest ik me bij neerleggen. De natuur was hard en onze dieren waren gewend als vrijbuiters door het leven te gaan. In het bos stikte het van de wilde katten en Joey verzwakt en intussen weer volgevreten vormde een ideale pooi. Bovendien moest ik ook de buizerds niet uitvlakken die gewend waren zich op gewonde dieren te storten en ze dood te pikken. Lees verder